Collega's

05 juli 2010

Nieuwsbrief Uptodate juli 2010


Blömer en horizontaal toezicht: Wat is het en wat heeft u als klant van Blömer ermee te maken?
Fiscale problemen: Let op de pensioenvoorziening bij uitkeren dividend
Berekening heffingsrente in strijd met EVRM: buitensporige last
Gevolgen omzetbelasting bij privé gebruik onroerende zaak gewijzigd
Terugvragen btw bij een betalingsregeling
Fiscale verzamelwet 2010
Wijziging onderwijsvrijstelling
Ontbrekende identiteitsbewijzen van werknemers leiden tot naheffing via eindheffing


BLÖMER EN HORIZONTAAL TOEZICHT:
WAT IS HET EN WAT HEEFT U ALS KLANT VAN BLÖMER ERMEE TE MAKEN?
Blömer accountants en adviseurs gaat in de loop van 2010 afspraken maken met de Belastingdienst over het zogenoemde Horizontaal toezicht. Deze afspraken bieden alle betrokkenen een aantal voordelen, die wij onze klanten zeker niet willen onthouden.
Zodra de aansluiting een feit is, zullen wij u daarvan via deze nieuwsbrief op de hoogte stellen.
Wij kunnen ons voorstellen dat u nu al vragen heeft. Neemt u dan contact op met
één van onze fiscalisten, Hans Kouters of Taco Holwerda.

Wat is Horizontaal toezicht?
Horizontaal toezicht biedt ondernemers, hun adviseurs en de Belastingdienst de kans om, op basis van transparantie en wederzijds vertrouwen, vooraf afspraken te maken over de werkprocessen en onderlinge communicatie in het belastingaangifte proces.
Het is een andere manier van werken, waarbij alle partijen samen verantwoordelijk zijn voor een goede uitvoering van de belastingwetgeving.
Deze werkwijze moet leiden tot meer efficiency (het voorkomen van dubbel werk) met als resultaat lagere (ondernemers)kosten en meer zekerheid voor de belastingplichtige.

Blömer en Horizontaal toezicht
Blömer is lid van SRA (Samenwerkende Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten), het grootste netwerk van zo'n 400 accountantskantoren verspreid over het land.
Alle aangesloten kantoren voldoen aan een kwaliteitsnorm (het SRA-Keurmerk), dat continu wordt getoetst en geborgd via de SRA-Review. Dit kwaliteitssysteem is van dien aard dat de Autoriteit Financiële Markten en de Belastingdienst het niet alleen erkennen, maar er op vertrouwen en bouwen.
Vanuit dit streven naar kwaliteit hebben de Belastingdienst en SRA eind augustus 2009 een Convenant Horizontaal Toezicht gesloten, met als basis het SRA-Kwaliteitssysteem.
Dit convenant houdt in dat, wanneer één van de aangesloten advieskantoren uw aangifte verzorgt voor de loonheffing, inkomsten-, omzet- of vennootschapsbelasting en daarbij de SRA-Kwaliteitsstandaard heeft toegepast, deze aangifte het stempel ‘gewoon goed' krijgt. De aangifte wordt vervolgens niet in het reguliere toezicht meegenomen, waardoor u sneller zekerheid en duidelijkheid krijgt over uw aangifte.
Natuurlijk is het voor u als ondernemer prettig te weten dat het werk, dat wij als adviseur voor u verrichten, van zeer goede kwaliteit is.
Wanneer u als ondernemer met ons meewerkt binnen het Convenant Horizontaal toezicht, werkt het ook voor u:

  • - Zo bent u ervan verzekerd dat uw aangifte niet in het reguliere toezicht van de Belastingdienst valt, omdat de Belastingdienst ervan uit gaat dat uw aangifte ‘gewoon goed' is.
  • - U krijgt minder belastingcontroles, omdat aangiften binnen Horizontaal toezicht onder ‘meta toezicht' vallen: er wordt slechts steekproefsgewijs gecontroleerd. U bent niet uitgesloten van controles, maar de eventuele controle vindt wel sneller plaats en duurt korter. Bij eventuele  problemen zorgt Blömer voor inhoudelijke afstemming met de Belastingdienst voorafgaand aan de aangifte. U weet dan sneller waar u aan toe bent.
  • - De Belastingdienst stelt zo snel mogelijk de definitieve aanslag vast. Uw rechtszekerheid wordt vergroot.

 
Toegevoegde waarde voor alle betrokkenen
Niet alleen heeft het SRA-Convenant Horizontaal toezicht toegevoegde waarde voor u als ondernemer, ook voor Blömer zijn er voordelen die indirect weerslag hebben op uw positie als klant, zoals:

  • - Blömer krijgt een vaste contactpersoon bij de regio-eenheid van de Belastingdienst waar u onder valt.
  • - Met deze vaste contactpersoon kan ook (indien nodig) inhoudelijk vooroverleg plaatsvinden.
  • - De belangen van de SRA-kantoren en die van u als ondernemer worden drie maal per jaar op managementniveau met de Belastingdienst besproken, met name als het gaat om de behandeling van (nieuwe) fiscale issues. De uitkomst van deze besprekingen komt de kwaliteit van onze dienstverlening weer ten goede.


Horizontaal toezicht en onze klanten
Als klant kunt u zich via ons aanmelden om uw aangiften te gaan indienen via het Horizontaal Toezicht. 
Voor middelgrote klanten bestaat overigens de mogelijkheid om rechtstreeks een convenant af te sluiten met de Belastingdienst. Deze bedrijven zullen hiervoor door de Belastingdienst zelf benaderd worden.
Nogmaals, heeft u vragen, stelt u deze dan aan onze belastingadviseurs, Hans Kouters of Taco Holwerda.

home

FISCALE PROBLEMEN: LET OP DE PENSIOENVOORZIENING BIJ UITKEREN DIVIDEND
De dga mag zijn pensioen verplichting opnemen op de balans. Dit kan tegen de fiscale waarde of de (veelal hogere) commerciële waarde. Als dividend wordt uitgekeerd op basis van de lagere fiscale balanswaarde van de pensioentoezegging kan een probleem ontstaan. Dit zou kunnen leiden tot een negatief eigen vermogen en het betrekken van de pensioenverplichting in de loonheffing, aldus de Kennisgroep Pensioenen van de Belastingdienst.
Een in eigen beheer gehouden pensioenverplichting mag in de jaarrekening worden opgenomen tegen de fiscale waarde. De feitelijke pensioentoezegging aan een dga is in de meeste gevallen een zogenaamd ‘open geïndexeerd' pensioen. M.a.w. het pensioen wordt na de ingangsdatum jaarlijks geïndexeerd volgens het prijsindexcijfer. Fiscaal mag hier niet voor worden gereserveerd, zodat de werkelijke waarde (commerciële pensioenverplichting) van de verplichting doorgaans aanmerkelijk hoger ligt dan de fiscale waarde.
Zodoende kent een balans met een pensioenverplichting op fiscale grondslag een aanzienlijk hoger eigen vermogen dan een balans met daarop dezelfde pensioenverplichting op commerciële grondslag.
Wat moet dan het uitgangspunt zijn om te bepalen of er dividend kan worden uitgekeerd? Aangezien zowel het Burgerlijk Wetboek als de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving uitgaan van de fiscale pensioenverplichting, klinkt het logisch het eigen vermogen te bepalen met inachtneming van de fiscale pensioenverplichting.
De Kennisgroep is van mening dat het uitkeren van dividend met inachtneming van de fiscale pensioenverplichting kan leiden tot afzien van pensioen. Indien namelijk door de dividenduitkering het eigen vermogen (uitgaande van de commerciële pensioenverplichting) negatief wordt, moet de hele verplichting direct in de heffing van loonbelasting betrokken worden en is de dga eveneens 20% revisierente verschuldigd. Een en ander wordt gevoed door de gedachte dat de dga feitelijk pensioenaanspraken prijsgeeft door activa via een dividenduitkering aan de vennootschap te onttrekken.
Op dit moment is nog niet duidelijk of dit standpunt van de Kennisgroep formeel wordt ingenomen, of dat hier slechts sprake is van een ‘proefballonnetje'. De verwachting is echter dat de Belastingdienst dit standpunt zal gaan innemen. Dat kan gevolgen hebben voor dividenduitkeringen en er zal per geval moeten worden bekeken of dit niet tot bovenstaande gevolgen kan leiden.
De belastingadviseurs van Blömer volgen de ontwikkelingen op de voet en houden u op de hoogte.

home

BEREKENING HEFFINGSRENTE IN STRIJD MET EVRM: BUITENSPORIGE LAST
Een opmerkelijke uitspraak van het Hof Arnhem in een procedure waarbij een fors bedrag aan heffingsrente was berekend over een aanmerkelijk belangwinst. Een belastingschuld werd bij fictie verondersteld gelijkmatig over het jaar aan te groeien, ongeacht het tijdstip waarop de inkomsten werden genoten. Volgens het hof was sprake van een buitensporige last voor de ab-houder en de berekening in strijd met het eerste artikel van het Protocol EVRM. Overigens is de regeling met ingang van 1 januari 2010 gewijzigd. Het systeem zoals dat gold vóór 2005 is weer van toepassing.
Een aanmerkelijk belanghouder (ab-houder) had op 30 november 2006 zijn aanmerkelijk belang vervreemd en daarbij een winst behaald van € 70 mln. Hij verzocht de inspecteur in december 2006 om een voorlopige aanslag inkomstenbelasting over 2006 op te leggen. De Inspecteur legde op 9 februari 2007 de voorlopige aanslag op en berekende daarbij € 449.871 aan heffingsrente over de periode 1 juli 2006 tot 9 februari 2007.
De ab-houder stelde dat het berekenen van heffingsrente over de periode 1 juli 2006 tot en met 30 november 2006 in strijd was met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: het Protocol). Volgens dit artikel heeft iedereen in beginsel het recht op een ongestoord genot van zijn eigendom. De heffingsrente betrof vooral een periode waarin het vervreemdingsvoordeel nog niet was gerealiseerd. Rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond. De ab-houder ging daarop in hoger beroep bij het Hof Arnhem.
 
In een conclusie van A-G Van Ballegooijen, waarin hij reflecteert op rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), wordt de rechtsgeldigheid van een overheidmaatregel, die een inbreuk maakt op het ongestoord genot van een particulier eigendomsrecht, getoetst aan drie beginselen:

  • 1. of de schending van het eigendomsrecht op een wettelijke basis berust (principle of lawfulness);
  • 2. of met de schending een legitieme doelstelling van algemeen belang wordt gediend (principle of legitimate aim);
  • 3. en of er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd (principle of fair balance).

De heffingsrenteregeling dient een legitieme doelstelling, het compenseren van een economisch voor- of nadeel, maar er moet een redelijke verhouding bestaan tussen enerzijds de ernst van de beperking van of inmenging op het eigendomsrecht als gevolg van de fictie en anderzijds de zwaarte van het belang van de legitieme doelstelling. De belastingplichtige mag door de gekozen berekeningsmethode van de heffingsrente (fictie) geen buitensporige last dragen.  
Het hof Arnhem stelde vast dat sprake was van een eigendom in de zin van het eerste artikel van het Protocol en van schending van het eigendomsrecht, en dat ook was voldaan aan de eisen van lawfulness en legitimate aim.
Het hof toetste de heffingsrenteregeling ten slotte nog aan het vereiste van fair balance. Volgens het hof lag een zuivere economische benadering ten grondslag aan de (toenmalige) wettelijke heffingsrenteregeling en moest de ab-houder in het jaar 2006, waarin hij een vervreemdingsvoordeel had gerealiseerd, slechts één maand (december) rentevoordeel aan de staat vergoeden. Volgens de toenmalige wettelijke regeling werd de heffingsrente echter berekend vanaf 1 juli 2006. Het hof constateerde dat dat in casu een rentepercentage inhield van 24% (enkelvoudig berekend) op jaarbasis en daarmee hoger was dan het maximaal toelaatbare rentepercentage volgens de Wet op het consumentenkrediet in die periode.
 Volgens het hof was zowel in relatieve als absolute zin sprake van een buitensporige last voor de ab-houder: de wettelijke heffingsrente over de periode 1 juli 2006 tot 1 december 2006 bedroeg € 298.958. Het in rekening brengen van heffingsrente over de hiervoor genoemde periode leidde tot een met het eerste artikel van het Protocol strijdige buitensporige last. Van fair balance was geen sprake. Strikte toepassing van de wetsbepaling op de heffingsrente moest achterwege blijven en de periode waarover heffingsrente in rekening kon worden gebracht, werd beperkt tot de periode van 1 december 2006 tot 9 februari 2007.
Overigens is met ingang van 1 januari 2010 de wettelijke regeling voor het berekenen van heffingsrente weer gewijzigd en is teruggegaan naar het systeem zoals dat gold vóór 2005. Niet de dag na het midden van een belastingjaar/boekjaar maar de dag na afloop van het belastingjaar/boekjaar is bepalend. De gewijzigde systematiek geldt voor tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2010. De uitspraak van het Hof Arnhem is nog van invloed op aanslagen die betrekking hebben op de belastingjaren 2005 tot en met 2009, voor zover deze aanslagen nog niet onherroepelijk vaststaan.

home

GEVOLGEN OMZETBELASTING BIJ PRIVÉ GEBRUIK ONROERENDE ZAAK GEWIJZIGD
Wanneer u als ondernemer een onroerende zaak koopt, dan kunt u de in rekening gebrachte omzetbelasting op dat moment verrekenen voor zover u belaste prestaties verricht. U dient de onroerende zaak voor de omzetbelasting wél als bedrijfsvermogen aan te merken. Ook als u de onroerende zaak gedeeltelijk voor privédoeleinden gebruikt, leidt dat bij de aanschaf niet tot een aftrekbeperking van omzetbelasting. Echter, aan het eind van het jaar van aanschaf en de negen jaren daarna, bent u omzetbelasting verschuldigd in verband met het privé-gebruik. U hebt dus een liquiditeitsvoordeel. Dit voordeel gaat verdwijnen.
Er ligt een wetsvoorstel om de Wet op de omzetbelasting aan te passen. Het voorstel houdt kort gezegd in, dat de omzetbelasting bij de aankoop van een onroerende zaak slechts verrekenbaar is voor zover de onroerende zaak voor bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt. Als u als ondernemer de onroerende zaak ook voor privé-doeleinden wilt gaan gebruiken, loopt u dus direct bij de aanschaf al aan tegen een aftrekbeperking van omzetbelasting. Stel dat u van plan bent de onroerende zaak voor 30% voor privé-doeleinden te gaan gebruiken dan kunt u 30% van de omzetbelasting op de aanschafprijs niet verrekenen. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de in rekening gebrachte omzetbelasting ter zake van onderhoud- en renovatiekosten bij de aanschaf van de onroerende zaak. Aan het eind van het jaar van aanschaf en de negen jaren daarna dient echter de verhouding bedrijfs- en privé-gebruik steeds opnieuw beoordeeld te worden. Is deze verhouding gewijzigd, dan volgt in die jaren weer een correctie op de verrekende omzetbelasting. Indien u bijvoorbeeld het tweede jaar de onroerende zaak voor 45% voor privé-doeleinden hebt gebruikt, dan dient u over dat jaar 1/10 van 15% van de bij aanschaf verrekende omzetbelasting terug te betalen.
Voor andere uitgaven ten behoeve van een onroerende zaak, die ook voor privé doeleinden wordt gebruikt zoals onderhoudswerkzaamheden na aanschaf, geldt alleen in het jaar van de gemaakte uitgaven een aftrekbeperking van omzetbelasting ter zake van het privé gebruik.
Indien u op het moment van aanschaf van een onroerende zaak de onroerende zaak geheel voor privé-doeleinden denkt te gaan gebruiken, dan heeft u op dat moment geen recht op verrekening van omzetbelasting. Blijkt echter later dat u de onroerende zaak ook voor bedrijfsdoeleinden gebruikt, dan heeft u geen recht meer op verrekening van een gedeelte van de omzetbelasting. U zult dus bij aanschaf al de intentie moeten hebben om de onroerende zaak voor bedrijfsdoeleinden te gebruiken om in aanmerking te komen voor verrekening van omzetbelasting.
Het is de bedoeling dat de nieuwe regeling ingaat per 1 januari 2011. Voor onroerende zaken die zijn aangeschaft voor 1 januari 2011 blijft de oude regeling van toepassing. 

home

TERUGVRAGEN BTW BIJ EEN BETALINGSREGELING
Stel, u treft een betalingsregeling met een klant die zijn rekening niet direct kan voldoen. Door de betalingsonmacht van uw afnemer heeft de BV in beginsel recht op teruggave van de btw die op die levering wél is afgedragen, maar die door de afnemer niet is betaald. Uw BV moet het verzoek om teruggave afzonderlijk per brief bij de Belastingdienst indienen; op de elektronische btw-aangifte is daarvoor géén mogelijkheid. Let op: de BV kan de oninbare btw niet zelf verrekenen met de door haar af te dragen btw. Als dat toch gebeurt, levert dat vrijwel zeker een naheffingsaanslag met boete op.
Het verzoek om teruggave moet tijdig worden ingediend. Tijdig betekent: in het btw-tijdvak waarin redelijkerwijs komt vast te staan, dat de afnemer de (restant) factuur niet meer gaat betalen. Of en wanneer dat het geval is, is afhankelijk van de situatie.
Als uw BV het faillissement van de afnemer aanvraagt en vast staat dat er geen cent meer zal worden ontvangen dan kan de BV direct de oninbare btw terugvragen.
Als uw BV bereid is om een betalingsregeling met de niet betalende afnemer te treffen, is dat een duidelijke indicatie dat u verwacht dat de afnemer nog wel (een gedeelte van de factuur) zal gaan betalen. Anders heeft een betalingsregeling geen zin. Dan staat dus nog niet vast dat de btw niet zal worden ontvangen: de BV heeft dan (nog) geen recht op teruggave van de nog niet ontvangen btw.
Bij het treffen van een betalingsregeling dient u goed op te letten dat die regeling niet als een schuldvernieuwing kan worden uitgelegd. Van een schuldvernieuwing is sprake, als de BV haar direct opeisbare vordering uit hoofde van de leverantie omzet in een lening (leenschuld). In dat geval verspeelt uw BV het recht op teruggave van de btw: de omzetting van de koopschuld in een leenschuld wordt namelijk aangemerkt als een betaling.
Het treffen van een betalingsregeling is niet per definitie een schuldvernieuwing, zelfs niet als bij die betalingsregeling een rentevergoeding wordt afgesproken. Maar alertheid is geboden. De bedoeling van partijen is hier beslissend: als beide partijen, de leverancier én de afnemer, de bedoeling hebben om de vordering om te zetten in een geldlening gaat het recht op teruggaaf van de btw verloren. Als uw BV de vordering eenzijdig omzet in een lening, behoudt u het recht op btw-teruggaaf. En dat is van belang als later blijkt dat de afnemer ook niet aan de betalingsregeling kan voldoen.

home

FISCALE VERZAMELWET 2010 
Op 7 juni 2010 heeft (demissionair) minister De Jager van Financiën het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2010 ingediend bij de Tweede Kamer. De voorgestelde maatregelen hebben diverse achtergronden: technische en redactionele wijzigingen, codificatie van beleid, reparatie van ongewenste gevolgen voortvloeiend uit arresten van de Hoge Raad en aanpassing van regelingen in verband met Europees recht. Hierna volgt een korte beschrijving van enkele voorgestelde wijzigingen. Tenzij anders is vermeld, is de beoogde ingangsdatum 1 januari 2011.
Kwartaalaangifte btw met jaar verlengd
De verruimde keuzemogelijkheid om de btw-aangifte per kwartaal te doen in plaats van per maand wordt voortgezet in 2011. Dat kondigt het kabinet aan in de toelichting op het wetsvoorstel. Dit levert een liquiditeitsvoordeel op voor ondernemers die per saldo btw moeten betalen.
Aanpassing toerekening resultaat uit terbeschikkingstelling bij gemeenschap van goederen
Het beleidsstandpunt dat het resultaat uit terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen die in een (huwelijks)goederengemeenschap vallen aan beide partners ieder voor de helft moet worden toegerekend, wordt expliciet opgenomen in de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB).
Dit ter reparatie van de arresten van de Hoge Raad van 15 januari 2010, waaruit volgt dat de bestuursbevoegde belastingplichtige het resultaat volledig moet aangeven. In samenhang hiermee wordt voor de terbeschikkingstellingsregeling een doorschuiffaciliteit geïntroduceerd in de Wet IB voor de overgang krachtens huwelijksvermogensrecht. Het huwen in gemeenschap van goederen levert dus geen afrekenmoment op voor de terbeschikkingstellingsregeling: de helft van de boekwaarde kan geruisloos worden doorgeschoven naar de echtgenoot.
Werkkostenregeling 2011
Hiertoe verwijzen wij naar het uitgebreide artikel in onze vorige nieuwsbrief. Bovendien komt binnenkort een uitgebreid memo over de werkkostenregeling beschikbaar.
Aanpassingen in verband met herziening Successiewet: Extra verhoogde schenkingsvrijstelling van € 50.000 voor eigen woning kinderen verruimd
Naar aanleiding van de wijziging van de Successiewet 1956 per 1 januari 2010 bevat het wetsvoorstel enkele maatregelen van overwegend technische aard. In overeenstemming met een toezegging tijdens de parlementaire behandeling wordt onder andere de eenmalige extra verhoogde vrijstelling voor kinderen in de schenkbelasting aangepast. Daardoor mag deze onder meer ook worden aangewend voor aflossing van de eigen woningschuld en voor onderhoud en verbetering van de eigen woning.
Ouders kunnen aan kinderen jaarlijks een bedrag van € 5.000 (2010) belastingvrij schenken. Dit bedrag kan eenmalig maximaal verhoogd worden tot € 24.000 voor kinderen tussen de 18 en 35 jaar. Sinds 1 januari 2010 bestaat de mogelijkheid om dit vrijgestelde bedrag extra te verhogen tot € 50.000, als de schenking wordt besteed voor de aankoop van een eigen woning. Als voor 2010 al eerder gebruik is gemaakt van de verhoogde vrijstelling voor kinderen, geldt een eenmalige vrijstelling van € 26.000 ter verwerving van een eigen woning van het kind. De voorwaarden zijn dat de schenking bij notariële akte moet worden geregeld en dat door het kind een eigen woning wordt verworven.
De verhoogde vrijstelling was aanvankelijk alleen bedoeld voor de aankoop van een woning en niet voor verbouwingen of aflossing van een eigen woning schuld. De staatssecretaris heeft recent aangegeven dat de vrijstelling ook zal gelden voor verbouwingen en aflossingen van de eigen woning schuld. De verruimde regeling geldt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010.

home

WIJZIGING ONDERWIJSVRIJSTELLING
De vrijstelling voor beroepsonderwijs wijzigt op 1 juli 2010. Dan treedt de (nieuwe) tekst van artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 in werking.
Tegelijkertijd met de inwerkingtreding wordt een aantal beleidsbesluiten ingetrokken. In die beleidsbesluiten is onder meer goedgekeurd dat ondernemers voor bepaalde beroepsopleidingen een keuzemogelijkheid hebben om ze al dan niet vrijgesteld van btw aan te bieden. Door de intrekking van de beleidsbesluiten bestaat vanaf 1 juli 2010 de keuzemogelijkheid dus niet meer. Overigens blijft de bestaande regelgeving voor beroepsopleidingen tot uiterlijk 1 januari 2011 gelden voor contracten die vóór 1 juli zijn afgesloten.
Voor het wettelijk erkende beroepsonderwijs verandert er niets. Voor het niet-wettelijk erkende beroepsonderwijs betekent de wijziging dat per 1 juli de vrijstelling alleen nog geldt voor:

  • - Beroepsopleidingen verleend door instellingen opgenomen in het door de betrokken brancheorganisaties opgerichte Register Kort Beroepsonderwijs (hierna RKBO). De duur van de opleidingen doet daarbij niet ter zake.
  • - Beroepsopleidingen verleend door de bekostigde instellingen, genoemd in de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs (WHW) of bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB).

Zoals gezegd vervalt de keuzemogelijkheid per 1 juli 2010. Dit betekent dat een in het RKBO opgenomen (en daarmee dus erkende) instelling voor alle door deze instelling verstrekte beroepsopleidingen verplicht in de vrijstelling wordt betrokken. Het begrip beroepsopleiding wijzigt overigens niet. Als een erkende instelling ook andere opleidingen dan beroepsopleidingen verstrekt, dan is de vrijstelling daarop niet van toepassing.
Instellingen kunnen zich voor het aanvragen van een erkenning aanmelden bij de Stichting Centraal Register Kort Beroepsonderwijs (www.crkbo.nl). Zeer binnenkort is het mogelijk om ook inzage te krijgen in een, apart van het ‘erkenningsregister' bij te houden, ‘aanmeldingsregister'. Op die manier is voor iedereen te raadplegen dat een onderwijsinstelling een aanvraag tot erkenning heeft ingediend. De (eventuele) erkenning vergt naar schatting één à twee maanden.
Het is mogelijk dat binnen één fiscale eenheid zowel een erkende als een niet-erkende onderwijsinstelling is opgenomen. In dat geval is de vrijstelling alleen van toepassing voor zover de beroepsopleidingen worden verstrekt door de erkende onderwijsinstelling.
Ook zelfstandig handelende docenten (ZZP'ers) die onderwijsdiensten aanbieden aan onderwijsinstellingen vallen onder de regeling. Op dit moment wordt voor deze ondernemers de laatste hand gelegd aan de erkenningsregeling en de audit voor deze groep.
Ook voor buitenlandse onderwijsinstellingen geldt de vrijstelling voor het beroepsonderwijs dat zij verstrekken, als deze instellingen opgenomen zijn in het RKBO. Dit Register staat open voor iedere onderwijsinstelling die beroepsonderwijs verricht en aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet.

home

ONTBREKENDE IDENTITEITSBEWIJZEN VAN WERKNEMERS LEIDEN TOT NAHEFFING VIA EINDHEFFING
Door niet te voldoen aan de wettelijke identificatieplicht heeft de werkgever zich in een positie gebracht, waarin het onmogelijk was om de benodigde documenten nog te achterhalen, waardoor de kans op verhaal van de verschuldigde loonheffing nihil was. Volgens het Hof heeft de inspecteur de naheffingsaanslag dan ook terecht met toepassing van eindheffing opgelegd. Ook het percentage van 130,4% is juist berekend en toegepast.
Wij maakten u al eerder attent op de wettelijke identificatieplicht. Dat het (gedeeltelijk) niet voldoen hieraan grote gevolgen kan hebben, blijkt uit de onderstaande uitspraak van Hof Den Haag.
Tijdens een boekenonderzoek bij een glazenwasserij- en schoonmaakbedrijf constateert de Belastingdienst o.a. dat van 8 werknemers geen identiteitsbewijzen in de administratie zijn opgenomen en dat van 5 werknemers wel afschriften van geldige paspoorten in de administratie aanwezig zijn, maar niet als documenten in de zin van de Wet op de identificatieplicht kunnen worden aangemerkt, omdat zij geen ingezetenen zijn van de Europese Unie.
M.b.t. deze werknemers heeft de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag de verschuldigde loonheffing met toepassing van het anoniementarief van 130,4% vastgesteld.
De werkgever slaagde er slechts beperkt in tijdens het boekenonderzoek om de ontbrekende identiteitsbewijzen aan te leveren. Daarom had de inhouding van de loonheffing dienen plaats te vinden tegen het zogenaamde anoniementarief. De inspecteur achtte het aannemelijk dat de werknemers werkzaam waren geweest op basis van brutoloonafspraken. In die gevallen wordt een geïndividualiseerde naheffingsaanslag opgelegd. Daarover heft de Inspecteur, met toepassing van het tabeltarief ‘eindheffing voor anonieme werknemers'.
Toen bleek dat de naheffing het gevolg was van de niet juiste wijze van identificeren, heeft de werkgever de inspecteur direct geïnformeerd dat de verschuldigde belasting zou worden verhaald op de betreffende werknemers. Volgens de werkgever rust op hem als inhoudingsplichtige slechts een beperkte onderzoeksplicht m.b.t. NAW-gegevens van zijn werknemers. Hij heeft vervolgens alles in het werk gesteld om de benodigde gegevens nog te achterhalen; dat het onmogelijk was om nog verhaal te halen, lag niet aan hem. Daarom vormde de niet-betaalde belasting/premie geen loon. Mocht wel sprake zijn van loon, dan moet het eindheffingpercentage niet gesteld worden op 130,4%, maar op 108,3%, omdat ze verzekerd zouden zijn voor de sociale verzekeringen, aldus de werkgever.
De inspecteur is van mening dat de werkgever, door niet aan de identificatieverplichting te voldoen, zich in de positie heeft gebracht, waarin verhaal van de verschuldigde (maar niet betaalde) loonheffing niet meer mogelijk is. In zo'n geval moet de naheffingsaanslag worden opgelegd onder het eindheffingsregime.
Volgens het Hof drukt op de werkgever de last om aan de hand van feiten en omstandigheden aan te tonen dat de mogelijkheid van verhaal feitelijk bestond. De werkgever was in die bewijslast niet geslaagd.
Door niet te voldoen aan de wettelijke identificatieplicht heeft werkgever zich bovendien in een positie gemanoeuvreerd, waarin het onmogelijk was om de benodigde documenten nog te achterhalen. Hierdoor was de kans op verhaal van de verschuldigde loonheffing nihil. Volgens het Hof heeft de inspecteur de naheffingsaanslag dan ook terecht met toepassing van eindheffing opgelegd. Ook het percentage van 130,4% is juist berekend en toegepast.

home


Disclaimer
Hoewel de informatie op onze website met de grootst mogelijke zorgvuldigheid is samengesteld, aanvaarden wij geen enkele aansprakelijkheid voor de eventuele gevolgen van onjuistheden of onvolledigheid van de vermelde informatie.

Design by: Impressive Arts