Collega's

03 juni 2010

Nieuwsbrief Uptodate juni 2010


De werkkostenregeling: werk aan de winkel!
Bestelauto met verwijderbare stoelen: bijtelling niet forfaitair te bepalen
Meer duidelijkheid en zekerheid bij aansprakelijkheidsregels verklaring arbeidsrelatie
Vanaf 1 juli alleen "schriftelijke" melding betalingsonmacht bv
Per 1 mei 2010 nieuwe EU-regelgeving voor sociale zekerheid
Bij ruisende dooroverdracht onderneming met creditering ook lijfrentepremieaftrek mogelijk
Hoge salarisstijging leidde tot fors hoger gebruikelijk loon over voorafgaand jaar


DE WERKKOSTENREGELING: WERK AAN DE WINKEL!
Per 1 januari 2011 treedt de nieuwe werkkostenregeling in werking. U weet het waarschijnlijk inmiddels al, maar vanwege de ingrijpende gevolgen wijzen wij u er nog maar eens op. De nieuwe werkkostenregeling betekent "werk aan de winkel". Nú en niet pas per 1 januari 2011. Werkgevers die belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen doen aan hun werknemers moeten nu alert zijn en beslissingen nemen.
De wet treedt per 1 januari 2011 in werking. U heeft door de overgangsregeling in de jaren 2011, 2012 en 2013 nog de keuze om te kiezen voor de huidige regeling of de nieuwe werkkostenregeling. Per 1 januari 2014 treedt de regeling definitief in werking.
Op 31 december 2010 heeft u de volgende keuzes te maken:

  • 1. Gaat u per 1 januari 2011 over op de nieuwe werkkostenregeling? U kunt in de jaren 2011, 2012 en 2013 per jaar de keuze maken om de bestaande regeling te handhaven of over te gaan op de nieuwe werkkostenregeling.
  • 2. Wat is voor u fiscaal bezien de meest voordelige keuze en wat voor gevolgen heeft de werkkostenregeling voor uw bestaande beloningsregelingen?
  • 3. Wat voor gevolgen heeft de nieuwe regeling voor uw administratie?


Werkkostenregelingscan
Blömer is bezig met het opzetten van een werkkostenregelingscan, waardoor u inzicht krijgt hoe de werkkostenregeling voor uw situatie uitpakt. Op basis hiervan kunt u bepalen of u uw huidige beloningsregeling de komende 3 jaren nog voortzet of dat u per 1 januari 2011 al overgaat op de nieuwe regeling. U kunt overigens in de overgangsjaren 2011 tot en met 2013 jaarlijks uw keuze herzien. Op basis van de werkkostenregelingscan kunt u een weloverwogen keuze maken of u uw huidige beloningsregeling moet aanpassen. Op dit moment is de werkkostenregeling nog niet op alle punten volledig uitgekristalliseerd. De staatssecretaris had toegezegd dat eind april 2010 een Uitvoeringsregeling zou verschijnen, waarin een aantal regelingen nader verduidelijkt worden. Het is nog afwachten hoe de volledige definitieve werkkostenregeling er uit komt te zien.

Werkkostenregeling vanaf 2011
Het systeem van door de werkgever te betalen belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen zal vanaf 1 januari 2011 ingrijpend veranderen. Nu moeten onbelaste vergoedingen en verstrekkingen nog worden getoetst aan 29 gedetailleerde voorschriften.
Vanaf 1 januari 2011 blijft een beperkt aantal vergoedingen en verstrekkingen in stand, waarop een fiscale vrijstelling van toepassing is:

  • - Reiskosten, zowel zakelijk als woon-werkverkeer tot maximaal 19 cent per km
  • - Cursussen, studiekosten en opleidingen
  • - Outplacementkosten
  • - Extraterritoriale kosten (30%-regelingen)
  • - Kosten voor zakelijke verhuizingen
  • - Rentevoordelen van door de werkgever verstrekte hypothecaire leningen
  • - Verstrekking van mobiele telefoons, voor zover meer dan 10% zakelijk gebruikt
  • - Laptops voor zover deze meer dan 90% zakelijk worden gebruikt
  • - Verblijfkosten voor tijdelijke werkzaamheden elders
  • - Maaltijden tijdens overwerk, dienstreizen en koopavonden
  • - Werkkleding uitsluitend geschikt om op het werk te dragen
  • - Vakliteratuur op de werkplek
  • - De werkplek op kantoor
  • - Consumpties op het werk (geen maaltijden)

Alle andere vrije vergoedingen en verstrekkingen vallen straks onder een forfaitaire vrijstelling van 1,4% van de fiscale loonsom, de zogenaamde "vrije ruimte". Zodra u de vrije ruimte overschrijdt, bent u 80% eindheffing Loonbelasting verschuldigd over het meerdere. Dit percentage wordt mogelijk nog aangepast naar 1,5%.

Welke vrije vergoedingen en verstrekkingen vervallen per 1 januari 2011 en vallen onder het 1,4% forfait? Dat zijn de huidige vergoedingen en verstrekkingen, zoals:

  • - De fiets van de zaak
  • - De eindheffingsregeling (20%) voor (kerst)geschenken
  • - Personeelskortingen
  • - De inrichting van de werkplek thuis
  • - Computer- en internetgebruik thuis (zijnde geen laptop die voor meer dan 90% zakelijk gebruikt wordt)
  • - Personeelsfestiviteiten
  • - Contributies aan vakbonden, beroepsverenigingen
  • - Vakliteratuur thuis
  • - Apparatuur en gereedschap voor gebruik thuis

Deze posten vallen per 1 januari 2011 onder het forfait van 1,4%! Zodra u met dergelijke vergoedingen en verstrekkingen de norm van 1,4% overschrijdt, bent u als werkgever 80% eindheffing over het meerdere verschuldigd.

Per werkgever zal bekeken moeten worden hoe de nieuwe werkkostenregeling uitpakt. Wij hebben in het onderstaande voorbeeld aangegeven hoe de regeling uitwerkt. Het voorbeeld gaat ervan uit, dat de bestaande wettelijke normen en bedragen voor vrije verstrekkingen en vergoedingen niet worden overschreden.

Voorbeeld
De totale fiscale loonsom bedraagt € 650.000.
U verstrekt en vergoedt aan uw werknemers in een jaar de volgende posten:

 

     €
 Kerstpakketten 2.500 
 Contributie vakbonden 4.000 
 Fietsen 2.000 
 Personeelsfeest  15.000 
 Vakliteratuur (op het werk) 5.000 
 Mobiele telefoons (mits >10% zakelijk gebruik)   9.000 
 Cursussen / scholing 10.000 
 Maaltijden (overwerk / dienstreizen) 5.000 
 Vergoeding reiskosten (19 ct / kilometer) 5.000 
Totaal   57.500 

Hoe pakt dit fiscaal uit onder de werkkostenregeling vanaf 1 januari 2011?

 De totale vergoedingen en verstrekking bedroegen: 57.500 
 In mindering komen de vrijstellingsposten:
 (cursussen/ scholing, zakelijke maaltijden, reiskosten 19 ct,
 vakliteratuur op het werk, de verstrekking van mobiele telefoons) 
 -34.000 
 De 1,4% forfaitaire posten:
 (de kerstpakketten, de contributies en het personeelsfeest
 23.500 


De overschrijding van het 1,4% forfait bedraagt: € 23.500 - € 9.100 = € 14.400
De werkgever betaalt 80% eindheffing over € 14.400 = € 11.520

Ervan uitgaande dat de wettelijke normen en bedragen niet worden overschreden, pakt de werkkostenregeling in dit voorbeeld ten opzichte van de huidige regelingen met betrekking tot vrije vergoedingen en verstrekking fors nadelig uit! In een dergelijk geval kunt u de overstap naar de werkkostenregeling per 1 januari 2011 beter achterwege laten. U kunt in ieder geval tot 2014 nog blijven kiezen voor de huidige regeling.

Of en in hoeverre een overstap naar de werkkostenregeling per 1 januari 2011 is aan te bevelen, zal van werkgever tot werkgever bepaald moeten worden. Of uw beloningsbeleid op deze punten aangepast dient te worden, is tevens maatwerk. Bovendien dient u rekening te houden met een andere inrichting van uw administratie!

Graag informeren wij u nader over de nieuwe werkkostenregeling en de specifieke gevolgen voor u. Binnenkort zullen wij klanten benaderen met nadere informatie en de werkkostenregelingscan. Desgewenst kunt u zelf al contact met ons opnemen: Mr. Annelies Posthumus via posthumus@blomer.com. Wij houden u op de hoogte.

home

BESTELAUTO MET VERWIJDERBARE STOELEN: BIJTELLING NIET FORFAITAIR TE BEPALEN
Van een bestelauto met meerdere zitplaatsen, die nagenoeg uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen, is de bijtelling niet forfaitair te bepalen. Stel dat u als ondernemer een auto van de zaak rijdt en deze ook voor meer dan 500 kilometer op jaarbasis voor privé doeleinden gebruikt. U dient dan een forfaitaire bijtelling toe te passen op uw winst uit onderneming. Wanneer u echter in een bestelauto van de zaak rijdt en deze auto is naar aard en inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt voor vervoer van goederen, dan hoeft u geen bijtelling toe te passen.
Hof Arnhem heeft in een recente uitspraak bepaald dat zelfs bij een bestelauto die gebruikt kan worden voor het privé vervoer van personen of goederen, nog sprake kan zijn van een bestelauto die (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen.
In dit geval ging het om een ondernemer die vloerbedekking legde bij klanten van enkele grote detailhandelketens. Deze ondernemer gebruikte voor het uitvoeren van de werkzaamheden een Renault Master. Deze bestelauto was ongeveer 5,5 meter lang en had een verhoogd dak. In de laadruimte van de Renault bevonden zich vaste stellages ten behoeve van materialen en gereedschappen. De afmetingen van de Renault waren afgestemd op het vervoer van rollen vloerbedekking. Verder waren er drie zitplaatsen (inclusief bestuurdersplaats) aanwezig. De overige zitplaatsen waren bestemd voor de bijrijder of voor de hulp bij het laden en lossen van de rollen vloerbedekking.
Hof Arnhem oordeelde dat de betreffende Renault moet worden aangemerkt als een bestelauto die (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen. Het Hof verwees daarvoor naar de uiterlijke verschijningsvorm, de specifieke inrichting en de afmetingen van deze bestelauto. Dat er meerdere personen mee konden rijden in de Renault maakte niet uit.
Het Hof stelde echter wel dat, als een dergelijke bestelauto voor privévervoer gebruikt wordt, er een bijtelling moet worden toegepast (bij meer dan 500 privé kilometers op jaarbasis). De bijtelling geschiedt dan niet op basis van het forfait, maar op een door het Hof niet nader toegelichte andere wijze.
Onlangs is een vergelijkbare uitspraak gedaan in een zaak over de bestelauto van een stukadoor. Zijn bestelauto had ook drie zitplaatsen, maar was vanwege inrichting en vuil minder geschikt voor privégebruik aldus de rechter.
In specifieke situaties loont het dus de moeite om na te gaan of van de forfaitaire bijtelling kan worden afgeweken naar een lagere bijtelling vanwege beperkte geschiktheid voor privé gebruik van bestelauto's.

home

MEER DUIDELIJKHEID EN ZEKERHEID BIJ AANSPRAKELIJKHEIDSREGELS VERKLARING ARBEIDSRELATIE
Bij de beantwoording van Kamervragen over de verklaring arbeidsrelatie (VAR) heeft Minister De Jager van Financiën onlangs een opmerkelijke toezegging gedaan over de aansprakelijkstellingen bij een VAR-wuo of VAR-row. Deze komt er op neer dat de ontvanger de verschuldigde belasting en premies sociale verzekeringen eerst bij de dga (opdrachtnemer) zal verhalen met de bestuurdersaansprakelijkheid, als een VAR-wuo of VAR-row is afgegeven, terwijl dat een VAR-dga (directeur-grootaandeelhouder) had moeten zijn. Mocht de bestuurder geen verhaal bieden dan kan de ontvanger de belasting en premies verhalen op de opdrachtgever met de inlenersaansprakelijkheid of de ketenaansprakelijkheid.
In bepaalde situaties is het niet op voorhand aan te geven welke fiscale status een bepaalde arbeidsverhouding heeft. Op grond van een door de inspecteur afgegeven verklaring arbeidsrelatie (VAR) kan een opdrachtgever vooraf zekerheid krijgen over de kwalificatie van de werkzaamheden van de opdrachtnemer voor de heffing van de loonbelasting en premies sociale verzekeringen.
Er zijn vier soorten verklaringen arbeidsrelatie, te weten:

  • - de VAR winst uit onderneming (VAR-wuo)
  • - de VAR loon uit dienstbetrekking (VAR-loon)
  • - de VAR resultaat uit overige werkzaamheden (VAR-row), en
  • - de VAR voor rekening en risico van de vennootschap (VAR-dga = directeur-grootaandeelhouder)

Uitsluitend de VAR-wuo en de VAR-dga bieden de opdrachtgever volledige zekerheid over de kwalificatie van de werkzaamheden van de opdrachtnemer. In dat geval hoeft de opdrachtgever met betrekking tot deze werkzaamheden geen loonheffing en premies sociale verzekeringen in te houden en af te dragen. De opdrachtgever is wel verplicht de opdrachtnemer te identificeren.
Een VAR-loon en VAR-row bieden de opdrachtgever geen complete zekerheid. In principe dient de opdrachtgever in beide gevallen loonheffing en premies sociale verzekeringen in te houden en af te dragen indien sprake is van een dienstbetrekking. Echter, de opdrachtgever zal in deze gevallen steeds zelf moeten vaststellen of sprake is van een dienstbetrekking.
Sinds 1 januari 2009 wordt een VAR onder bepaalde voorwaarden automatisch door de Belastingdienst verstrekt. Dit is het geval als de belastingplichtige drie achtereenvolgende jaren dezelfde VAR-beschikking heeft aangevraagd, de drie verzoeken tot dezelfde VAR-beschikking hebben geleid en de afgegeven beschikkingen daarna niet meer zijn herzien.
Minister De Jager van Financiën heeft onlangs diverse Kamervragen beantwoord over de VAR. Momenteel bestaat geen wettelijke volgorde in de aansprakelijkstellingen. De inspecteur heeft op dat punt een zekere beleidsvrijheid. Die vrijheid wordt nu dus ingeperkt.  
In de Leidraad Invordering 2008 zal nadrukkelijk worden opgenomen, dat een opdrachtgever niet aansprakelijk zal worden gesteld op grond van de inleners- en ketenaansprakelijkheid als hij te goeder trouw is afgegaan op een onjuiste VAR-verklaring. Daarnaast zal algemeen voorlichtingsmateriaal worden aangevuld met informatie over mogelijke aansprakelijkstelling op grond van de inlenersaansprakelijkheid.
Opvallend is dat de minister bij de beantwoording van de Kamervragen niet heeft toegelicht wanneer een opdrachtgever als te goeder trouw moet worden aangemerkt.
 
home

VANAF 1 JULI ALLEEN "SCHRIFTELIJKE" MELDING BETALINGSONMACHT BV
Als een bv niet in staat is zijn belastingschuld te betalen, is het van groot belang dat een bestuurder deze betalingsonmacht tijdig bij de Belastingdienst meldt. Op 4 juli treedt een wetswijziging in werking, waardoor een bestuurder de betalingsonmacht uitsluitend "schriftelijk" dient te melden bij de ontvanger van de Belastingdienst. Deze melding kan niet alleen op papier, maar dan ook door middel van een elektronisch bericht worden gedaan.
Vanaf 4 juli is het webformulier voor de melding betalingsonmacht voor bedrijven gebruiksklaar. De bestuurder kan dan ook een digitale melding doen.
Het melden van betalingsproblemen staat los van een eventueel verzoek om een betalingsregeling. Een betalingsregeling moet apart worden aangevraagd. Gebruik daarvoor het formulier 'Verzoek betalingsregeling en uitstel van betaling van belasting en/of premie'. U kunt ook hiertoe een formulier downloaden op de site van de Belastingdienst.

home

PER 1 MEI 2010 NIEUWE EU-REGELGEVING VOOR SOCIALE ZEKERHEID
De nieuwe regeling kan ertoe leiden dat een werknemer vanaf 1 mei 2010 in een andere lidstaat is verzekerd dan onder de bestaande regeling het geval is. Tot 1 mei 2020 geldt hiervoor een overgangsregeling en blijft de werknemer verzekerd in de lidstaat waar dat nu het geval is, zolang de situatie niet verandert.
De EU-lidstaten hebben binnen de Europese Unie een exclusieve bevoegdheid over de sociale zekerheid. Twee verordeningen (een basisverordening uit 1971 en een toepassingsverordening uit 1972) zorgen ervoor dat de bevoegdheid van de lidstaten niet belemmerend werkt voor het vrije verkeer van werknemers binnen de EU en ook niet voor het vrije verkeer naar de landen van de Europese Economische Ruimte (EER: Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) en Zwitserland.
Vanaf 1 mei 2010 geldt voor de sociale zekerheid binnen de lidstaten van de Europese Unie de regelgeving uit de nieuwe basisverordening en toepassingsverordening voor werknemers die in
een lidstaat wonen en in een of meer (andere) lidstaten werken. De hoofdlijnen van de nieuwe regeling zijn als volgt.
Uitgangspunt is dat een werknemer is verzekerd in de lidstaat waar hij/zij werkt, óók als de woonplaats in een andere lidstaat ligt.
Als een werknemer slechts één werkgever heeft, is de werknemer voortaan verzekerd in de lidstaat waar deze woont, als de werknemer in dat land tenminste 25% van zijn tijd werkt.
In het andere geval is de werknemer verzekerd in de lidstaat waar de werkgever is gevestigd.
Als de werkgever is gevestigd in de lidstaat waar de werknemer woont, is de werknemer in het woonland verzekerd. Ook als een werknemer voor twee werkgevers in verschillende lidstaten
werkt, is de werknemer in het woonland verzekerd.
De nieuwe verordeningen gelden per 1 mei 2010 nog niet voor de landen van de EER en Zwitserland en ook niet voor werknemers met een niet-EU-nationaliteit (zogeheten derdelanders) die gebruikmaken van grensoverschrijdend verkeer binnen de Europese Unie. Voor deze landen en personen blijven de oude basisverordening en toepassingsverordening voorlopig nog van
toepassing.

home

BIJ RUISENDE DOOROVERDRACHT ONDERNEMING MET CREDITERING OOK LIJFRENTEPREMIEAFTREK MOGELIJK
De Hoge Raad besliste onlangs dat ook recht op lijfrentepremieaftrek bestaat bij een ruisende inbreng van een onderneming in een bv, waarbij de bv de onderneming onmiddellijk
dooroverdraagt aan een 100%-dochtervennootschap van die bv.
Op het moment dat u uw onderneming wenst in te brengen in een bv, kunt u de heffing over een eventuele stakingswinst en de vrijval van uw opgebouwde fiscale oudedagsreserve (for) uitstellen door deze om te zetten in een lijfrente. Dit wordt ook wel een ruisende inbreng genoemd. Met het bedrag van de winst kan bij een toegestane verzekeraar een lijfrenteverzekering worden aangekocht en over de ontvangen lijfrentetermijnen is te zijner tijd progressieve heffing in box 1 verschuldigd. Dit kan ook de bv zijn, waaraan u (een deel van) de onderneming hebt overgedragen. Als op het moment van de inbreng van de onderneming al (nagenoeg) vaststaat dat daarna verkoop van de onderneming aan een derde zal plaatsvinden, kan de bv echter niet als verzekeraar optreden.
De Hoge Raad heeft onlangs beslist dat ook recht op lijfrentepremieaftrek bestaat bij een ruisende inbreng van een onderneming in een bv waarbij de bv de onderneming onmiddellijk dooroverdraagt aan een 100%-dochtervennootschap van die bv. Dat daarbij de dooroverdracht niet uitsluitend tegen nieuw uitgereikte aandelen maar gedeeltelijk tegen creditering heeft plaatsgevonden, maakt dit volgens de Hoge Raad niet anders.
In het arrest stond een ruisende dooroverdracht centraal van een in maatschapsverband gedreven notarispraktijk van twee notarissen. Hun maatschapsdelen kwamen terecht in twee werkmaatschappijen waarvan zij via een holding volledig aandeelhouder werden. De notarissen hadden bij de holding een lijfrente bedongen tot het bedrag van de stakingswinst en de afname van de for. Voor dat bedrag hadden zij recht op lijfrentepremieaftrek.
NB: De staatssecretaris van Financiën heeft in het verleden toegestaan dat bij een verdere (door)overdracht door de 'eigen' bv van de verkregen onderneming in reële gevallen de eigen bv toch als toegestane verzekeraar kan blijven gelden. Bij besluit van 1 oktober 2003 heeft de staatssecretaris de situaties waarbij sprake is van reële gevallen op enige punten verduidelijkt en versoepeld.

home

HOGE SALARISSTIJGING LEIDDE TOT FORS HOGER GEBRUIKELIJK LOON OVER VOORAFGAAND JAAR
In deze procedure kreeg een loonsverhoging van een dga voor het eerst ‘fiscaal terugwerkende kracht' naar een eerder jaar. Het Hof was van oordeel dat gezien alle feiten en omstandigheden het gebruikelijk loon voor het voorgaande jaar aanmerkelijk verhoogd mocht worden en stelde de inspecteur in het gelijk.
De gebruikelijkloonregeling komt voort uit een fictie in de Wet op de loonbelasting. De werknemer (of diens partner) die een aanmerkelijk belang bezit in de vennootschap waarin de werknemer werkt, wordt geacht tenminste een bepaald bedrag aan salaris (fictief loon) te ontvangen van die bv (€ 41.000 in 2010). Deze fictie vindt doorgaans toepassing bij de directeur-grootaandeelhouder (dga) met zijn eigen bv. Soms mag de dga uitgaan van een lager bedrag aan fictief loon en in andere situaties moet hij juist een hoger bedrag in aanmerking nemen.
Voor de gebruikelijkloonregeling kunnen twee invalshoeken worden gekozen.
Vanuit de werknemer staat de vraag centraal welk loonniveau gebruikelijk is voor soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt.
Vanuit de opbrengsten van de vennootschap wordt teruggerekend welk salarisniveau een vennootschap kan dragen (de afroommethode).
Een aanzienlijke salarisstijging van een dga in enig jaar kan al fiscale gevolgen hebben voor het voorafgaande jaar en in dat jaar leiden tot onverwachte belastingheffing bij de bv. Dit blijkt uit een feitelijke uitspraak van Hof Amsterdam.
Een man was enig aandeelhouder van een houdstervennootschap (bv) in een optiekbedrijf, bestaande uit een winkelgedeelte en een kliniek. Een oogarts verrichtte in de kliniek de ooglaserbehandelingen. De man zelf verrichtte optometrische onderzoeken en was hoofdzakelijk in de winkel aanwezig. Zijn vrouw was zowel in de winkel werkzaam als in de kliniek.
Over het jaar 2001 genoot de man een salaris van € 45.638 en zijn vrouw € 26.182. Deze salarissen werden gevolgd in de definitieve aanslagen IB over 2001 (dagtekening 2 oktober 2003).
In oktober 2001 werd de samenwerking met de oogarts beëindigd en in het jaar daarna financieel afgewikkeld. Tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) van de bv eind december 2002 werden de salarissen van de man en de vrouw met terugwerkende kracht opgetrokken tot en met 1 januari 2002 tot € 160.000 en € 120.000. Volgens de notulen van de ava vond de aanpassing plaats in verband met gewijzigde marktomstandigheden en de winst van de bv die sinds 1999 belangrijk stijgende was, als gevolg van de creativiteit en het ondernemerschap van de man en de organisatie van de backoffice van de vrouw.
Bij de aanslagregeling vennootschapsbelasting 2002 van de bv vroeg de inspecteur in april 2005 om informatie toe te zenden. Daarbij werden onder meer de notulen van de ava van december 2002 overlegd. In december 2006 kondigde de inspecteur aan de bv over 2001 een naheffingsaanslag loonheffing op te leggen met boete en heffingsrente. Ook stelde de inspecteur dat voor 2001 een hoger gebruikelijk loon in aanmerking moest worden genomen. Het totaal van de aanslag bedroeg € 49.553. De zaak kwam voor Rechtbank Haarlem. Deze stelde de inspecteur in het ongelijk, waarop deze in hoger beroep ging bij Hof Amsterdam.
Naast de vraag of er nu wel of geen naheffingsaanslag mocht worden opgelegd, ging het Hof in op de hoogte van het gebruikelijke salaris. Het Hof nam daarbij een brief uit 2002 aan het advocatenkantoor van de oogarts in aanmerking, verband houdend met de financiële afwikkeling van de beëindigde samenwerking. De brief betrof de doorberekening van salariskosten van het winkelpersoneel en de normaal te achten (eigen) directievergoeding van f 400.000 (€ 181.512) aan de kliniek. Het Hof was van oordeel dat, gezien alle feiten en omstandigheden, het gebruikelijk loon op € 120.000 kon worden gesteld. Het Hof lette daarbij met name op de brief aan het advocatenkantoor, de voorspoedige winstontwikkeling sinds 1999, die voor een zeer belangrijk deel was te danken aan de dga en zijn vrouw en ook het salarisniveau van de man in 2002 tot en met 2004.
Gelet op deze uitspraak is het aan te raden met deze mogelijke fiscale gevolgen rekening te houden en eventuele salarisaanpassingen in stappen te laten plaatsvinden.

home


Disclaimer
Hoewel de informatie op onze website met de grootst mogelijke zorgvuldigheid is samengesteld, aanvaarden wij geen enkele aansprakelijkheid voor de eventuele gevolgen van onjuistheden of onvolledigheid van de vermelde informatie.

Design by: Impressive Arts